Die vraag wordt me vaak gesteld, en ik kan er een kort antwoord op geven… Ik ben benieuwd naar de verhalen en ervaringen van de mensen die de sociaal-democratie uit het oog hebben verloren…. Maar dat antwoord zou wat mij betreft te beperkt zijn. Er zijn in mijn leven een aantal momenten aan te wijzen waarom ik deze weg voettocht ben begonnen.

In december 1978 kreeg ik van hoofdredacteur Paul Goossens de ruimte om het vak van journalist in de praktijk te leren bij de Morgen, het ‘progressieve dagblad voor Vlaanderen’. In Gent had de Morgen een eigen editie, de Vooruit. Die krant, de Vooruit, was van oorsprong direct verbonden met de sociaal-democratische beweging.  Over die verbondenheid valt veel te zeggen en te vertellen, maar mij gaat het om dat ene kleine hoekje in de Vooruit, dat werd geschreven door de dichter Richard Minne, en later door Louis Paul Boon. Beiden zorgden er elke dag voor dat de krant, en daarmee de sociaal democratische beweging, verbonden bleef met kleine eenvoudige lotgevallen van de mensen. Hoe bescheiden ook, die verhaaltjes zorgden voor menselijkheid, voor humaniteit, en boden een tegenwicht aan het harde  nieuws, de abstracte feiten en cijfers, aan wetenschappelijke rapporten en meningen. En hoewel ik mij in de verste verte niet zou willen en durven vergelijken met Richard Minne en Louis Paul Boon, vind ik het even goed wel van het grootste belang dat de sociaal-democratische beweging zich verbonden weet met de verhalen van alle dag, met het lot van de mensen. Het gaat altijd eerst om de mensen, vind ik. En daarom ben ik op weg.

Een tweede reden waarom ik aan deze tocht ben begonnen is een Zeeuwse kwestie waar ik nauw ben bij betrokken geraakt, de kwestie van het ontpolderen van onder andere de Hertogin Hedwigepolder. Op verzoek van Huib Eversdijk, destijds senator voor het CDA, werd ik lid van het bestuur van de stiching de Levende Delta. Die club was ontstaan in het verzet tegen de eerste ronde van ontpolderingsplannen in Zeeland. Nu die strijd gewonnen was, wilde de Levende Delta zich inzetten, zei Eversdijk, voor een breder Zeeuws perspectief: een evenwichtige balans tussen werk, natuur, en leven op het Zeeuwse platteland. En omdat er nog geen sociaal democraten in het bestuur van de Levende Delta zaten, nam ik na overleg met mijn Zeeuwse en landelijke partijgenoten plaats in dat bestuur.

Wat overviel Zeeland in de jaren daarna? Op initiatief van Nederlandse en Vlaamse overheden en toenmalig PvdA gedeputeerde Thijs Kramer werd in een gesloten ambtelijke werkgroep,  ‘ProSes’,  besloten tot een verdieping van de Westerschelde en een ‘verbetering’ van de natuur in deze zeearm en riviermonding. Daarbij, zo werd gesteld, was een evenwicht gevonden tussen ´toegankelijkheid, veiligheid en natuurlijkheid´. Dat evenwicht betekende, volgens de verschillende partijen binnen ProSes, dat over een periode van dertig jaar in totaal 3000 hectare polderland onder water zou moeten worden gezet.

De Zeeuwse bevolking, van jong tot oud, van rijk tot arm, werd door dit idee van van ‘deskundigen’ overvallen. De Zeeuwen konden dit besluit opnieuw niet aanvaarden en verzonnen alternatieven die beter waren voor natuur en milieu, minder zouden kosten, een groter effect zouden sorteren, en bovendien in de tijd ´duurzaam´zouden zijn. (Dit in tegenstelling tot ontpolderen… immers door opslibbing wordt het effect binnen tien jaar teniet gedaan, tenzij met inzet van veel middelen jaarlijks het giftige slib uit de ontpolderde polders zou worden verwijderd…) De Levende Delta heeft zich vanaf het moment dat ontpolderen weer op de politieke agenda kwam, met argumenten en zinvolle alternatieven verzet tegen de besluiten van de ProSes-groep.

Ik vond en vind het ontpolderen een krankzinnig idee, maar het meest stoorde me toch de organisatie van de besluitvorming: de arrogantie en houding van overheden, ‘deskundigen, ambtenaren en wetenschappers’; de machteloosheid van politici en daarmee van de democratie. Ik denk dat het in de maatschappelijke ontwikkeling en in de democratie nodig is om niet alleen wetenschappelijke inzichten en belangen van organisaties en bedrijven te inventariseren, maar vooral ook, om voor alles,  te luisteren naar burgers en betrokkenheid te organiseren.

Om een indruk te krijgen van wat zich in het begin van het tweede decennium van de 21 ste eeuw in Nederland manifesteert, ben ik vertrokken, op 3 februari 2011 voor mijn voettocht, en dat met dank aan de Wiardi Beckman Stichting.

 

Comments are closed.