“Kom vanavond, tegen zes uur terug,” zegt Theo van de Ven, melkveehoude buiten Kats, als ik ‘s morgens zijn erf op fiets. “Om zes uur gaan we weer melken; dat is in deze tijd toch het hart van het werk.” De boerderij van de familie van de Ven ligt even buiten het dorp, in de Leendet Abrahampolder. Het is een boerderij met 47 hectare grond om het huis.

José en Theo van de Ven hadden tot veertien jaar geleden hadden een melkveebedrijf in Lent, het dorpje in de Betuwe, tegenover Nijmegen aan de Waal. Een deel van de graslanden van het bedrijf lag in de uiterwaarden. “Onze boerderij lag precies op de plaats waar nu de nieuwe brug over de Waal is gelegd,” vertelt Theo, later op de dag, in de melkstal. “Nijmegen wilde de stad uitbreiden en liet haar oog vallen op Lent, aan de overkant van de rivier. Daar kon Nijmegen ‘de sprong over de Waal realiseren en de stad met duizenden woningen uitbreiden en kon een nieuwe nevengeul worden gegraven voor de Waal.”

De overstap naar Kats heeft hen nieuwe mogelijkheden gegeven. Theo en Jose van de Ven houden 120 melkkoeien, maar al bij al zijn er twee honderd runderen op het bedrijf, kalfjes, vaarzen, pinken en de melkkoeien.
Samen met zijn vrouw José is Theo die ochtend om half zeven naar de stal gegaan om de 120 koeien te melken. De ‘dames’ zoals ze genoemd worden, moeten vanuit de ligstal naar de melkstal worden gedreven. En tegelijk moeten de ligboxen worden schoongemaakt; Theo doet dat behendig en snel. Herkauwende koeien hebben echter geen haast en sommigen zijn meer dan nieuwsgierig en draaien zich om naar de boer, alsof ze heel andere plannen hadden voor de vooravond dan in de rij staan bij de melkstal. Theo roept die dwarse koe dan aan, geeft een lichte tik op de flank en dat is meestal voldoende om haar in de goede richting te bewegen.

Na het melken ‘s morgens krijgen de koeien voer. Dat ligt buiten op het erf opgeslagen: bietenpulp, bierbostel, gras en snijmaïs. Bietenpulp is een restproduct van de verwerking van suikerbieten; bierbostel is een eiwitrijk restproduct uit de bierbrouwerij. Van de 47 hectare poldergrond om de boerderij gebruiken Theo en José acht hectare voor de teelt van snijmais. Dat is niet genoeg maïs om het jaar rond te komen; daarom wordt dat ook bijgekocht. Het naïs- en grasland wordt bemest met de eigen mest. Anders dan veel van hun collega’s hebben Theo en José de jongste jaren geen diepte-investeringen gedaan. De stal werd niet uitgebreid; een melkrobot niet aangeschaft. Daardoor kunnen ze de lagere melkprijzen van vandaag opvangen. Bovendien zijn alle cycli in het bedrijf in evenwicht, ook tot elkaar.

De kalfjes, die van de moeder koe worden gescheiden, krijgen de eerste dagen biest, de eerste melk van de moederkoe. Daarna blijven ze in een groepje kalveren van dezelfde leeftijd bij elkaar en groeien zo samen door tot ze met kunstmatige inseminatie worden bevrucht en zelf een kalfje ter wereld brengen. Het is een bijzonde sterk ras, wat Theo en José houden: Holstein, in combinatie met Fleckvieh, een Duits ras van sterke koeien, die een goede melkproductie garanderen. De melk van de boerderij gaat naar de Belgische Coöperatie Milcobel. Er zijn meer boeren uit de omgeving die de melk leveren aan de Belgische coöperatie. De melk wordt onder andere verwerkt tot Brugge kazen, een pallet van bijzondere, en internationaal bekroonde kazen.

Het werk gaat zeven dagen per week door; en alle weken van het jaar. Maar dat is geen bezwaar. Theo van de Ven: “Soms kom je bij gelegenheid mensen tegen van vijftig jaar, die zich beklagen over hun werk en dat ze nog 17 jaar door moeten werken. Dat lijkt me verschrikkelijk. Ik doe dit werk met plezier; anders zou ik het nooit kunnen volhouden.”