I.
Kats.- “Alles verandert, Ed. We moeten naar de Roompot. Snoeien.” Jilles Bezemer (34 jaar) rijdt op de rotonde rechtdoor in plaats van links af, richting Roompot, Wissenkerke. In het vakantiepark worden de binnenwegen opnieuw geasfalteerd; struiken in de tuin van het voormalig woonhuis van de eigenaar van het vakantiepark hangen over de weg. De wegenbouwers kunnen zo niet verder…
Jilles en Ed (47 jaar) vormen een hecht team. Ze onderhouden tuinen, bij vaste klanten. Ze genieten van het afwisselende buitenwerk, ook al is het zwaar op dagen als deze wanneer de zon ongenadig brandt.
Het voormalige woonhuis van Henk van Koeveringe, met een grote omringende tuin, ligt op een hoge, schitterende plek. Het biedt uitzicht over de jachthaven van de Roompot en de Oosterschelde; aan de andere kant kijk je uit op de Oosterscheldekering en Noordzee. Het wateroppervlak in de haven voor het hoog gelegen huis is glad, helder en diepblauw.
Jilles en Ed kunnen hun busje met aanhangwagen in de buurt van het perceel komen; daar zijn de wegenbouwers met grote, dampende asfaltwagens en walsen aan het werk. Een voorman komt aangelopen. Hij zet de hoveniers onder druk. Als ze niet snel maken dat het snoeiwerk geklaard wordt, zal de weg maar gedeeltelijk kunnen worden aangelegd. Jilles weet genoeg; hij zet zijn oranje geluidsbeschermer op zijn oren, pakt zijn snoeimes en gaat aan de slag. Ed sleept het snoeiafval weg en brengt het naar de aanhangwagen. Ze werken hard door; het zweet loopt in straaltjes van hun hoofden. Het lawaai van het zware, gemotoriseerde snoeimes maakt elke communicatie onmogelijk. Maar Ed en Jilles hebben ook geen woorden nodig; ze kennen elkaar door en door, weten precies wie wat doet en waarom.
Na een uur intensief snoeiwerk is de helft van de klus geklaard; de wegenbouwers kruipen zachtjes dichterbij. Tijd voor een moment van rust gunnen de wegenbouwers de hoveniers niet. Maar de huidige eigenaar van het huis, een vriendelijk Duitse meneer, haalt zijn schouders. “Tijd om wat te drinken,” zegt hij en hij gebaart zijn vrouw wat blikjes frisdrank te halen.

II.
Enkele dagen later rijden we met elkaar naar Den Haag voor een bezoek aan de Tweede Kamer. Jilles en Ed kijken hun ogen uit op het Buitenhof, bij de Hofvijver en op het Binnenhof. Wanneer de minister-president zich van het ministerie van Algemene Zaken zich langs de Ridderzaal naar de ingang van de Tweede Kamer haast, zijn de mannen even beduusd. “Wat vreemd,”zegt Jilles, “dat je nu zo iemand in het echt ziet. Op de televisie lijkt hij kleiner, Mark Rutte.”
Wanneer we de beveiliging in de Tweede Kamer passeren en het PVV Kamerlid Fleur Agema juist naar de uitgang loopt, is de verrassing compleet. “Is ze dat,” vraagt Jilles aan Ed. Ed knikt stilletjes. De PVV is de partij die de jongens kennen, net zoals de Partij van de Arbeid. De PVV heeft eenvoudige stellingen en opvattingen; met de PvdA voelen ze zich van nature wel verbonden maar het beleid begrijpen is iets anders.. Onderweg, naar de Tweede Kamer meldde de radionieuwsdienst dat de BTW omhoog gaat. “Dat scheelt ons gewoon werk,” concluderen Jilles en Ed onderweg. “Dat is toch niet te begrijpen?”
Wanneer we later die ochtend met Lutz Jacobi en John Kerstens in de fractiekamer van de PvdA zitten, leggen beide Kamerleden de belastingplannen uit en verduidelijken de positie van de PvdA. “We willen de kosten van arbeid verlagen, en zeker de arbeidsintensieve beroepen op het lage BTW tarief houden van zes procent,” verklaart John Kerstens. “Maar de voorstellen over de BTW in dit belastingplan zijn bedoeld voor onderhandelingen met de oppositie. Dus wat je op de radio hoort, zegt eigenlijk niet zoveel. We gaan onderhandelen en hebben de mogelijkheid ingebouwd om de oppositie tegemoet te komen. Iedereen wil dat arbeid goedkoper wordt.” Jilles, Ed en de anderen halen opgelucht adem. Ze luisteren aandachtig, stellen vragen en vertellen hun ervaringen.
“Wat ik heel vreemd vind,” vertelt Jilles, “is bijvoorbeeld dat ik jaarlijks een kwalificatie moet halen voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Daar is op zich niks mis mee behalve dan dat het je dat brevet moet halen bij een bedrijf dat bestrijdingsmiddelen levert. Het is gewoon een commerciële bedoeling, die je verplicht bent bij te wonen. Je leert er niks. Waarom wordt dat niet gewoon in een school gegeven?”
Lutz Jacobi neemt de suggestie direct over. “Dat vind ik een goed punt. Daar maak ik werk van. Je hoort nog van me,” zegt ze.
Na de lunch neemt Lutz Jacobi ons mee voor een rondleiding door de Tweede Kamer. In de Handelingenkamer, met de gietijzeren bibliotheek waarin alle handelingen (debatten) die in de Eerste Kamer en Tweede Kamer zijn gevoerd, worden bewaard. De lege boekenplank in deze bijzondere bibliotheek symboliseert de bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het maakt op de jongens indruk. Ook even later, wanneer we een orde-debat volgen in de plenaire zaal en alle Kamerleden aanwezig zijn, zitten Jilles en Ed ingespannen te kijken op de publieke tribune.

III.

Een paar dagen later zit Jilles in mijn werkkamer. “Ik had de indruk dat de Kamerleden naar ons geluisterd hebben,” zegt hij. “En dat we ook gewoon alles konden vertellen. We hebben het er nog steeds over, onder elkaar. Het was mooi.”
Jilles is blij dat één van de drie medewerkers straks gewoon het CAO loon krijgt, in plaats van nu het minimumloon nu. “Wij betalen gewoon het CAO maar het UWV vulde dat slechts aan tot het minimum. Wij vonden dat allemaal oneerlijk. We werken allemaal met volledige inzet; dan is het naar wanneer er eentje minder krijgt. Niet door ons, maar door de regels van het UWV. Gelukkig zijn de regels veranderd. Het betekent dat hij vanaf 1 januari er 200 euro netto op vooruit gaat.”
Jilles heeft in zijn jeugd een moeizame weg gekend door onderwijsland. Hij kreeg al snel een stempeltje van een onrustige jongen, met ADHD. En net in de puberteit verhuisde Jilles met zijn vader en moeder van Zundert in Brabant naar Zeeland. Daarmee viel alles wat vertrouwd was, weg. Op school en in de nieuwe omgeving kon Jilles zijn draai zo gauw niet vinden. Na school, via een uitzendbureau, kwam hij terecht in de mosselsector en andere kleine, arbeidsintensieve baantjes om uiteindelijk een vaste baan te vinden bij een grote supermarkt in Goes. “Na zes jaar wilden ze me daar weg hebben. Er werd een aanleiding gezocht en ik kon vertrekken. Maar ja, een jaar eerder was mijn vader voor zichzelf begonnen en ik droomde er al lang van dat ik met hem mee mocht werken. Als ik vrije dag had bij de supermarkt, deed ik niets liever dan met mijn vader mee werken. Toen ik ontslagen werd, had mijn vader genoeg werk voor ons beiden. Dus mijn droom kwam uit. Ik vind het hoveniersvak prachtig, mooi werk voor een arbeidersjongen, zoals ik.”
Jilles realiseerde zich dat het nodig was om zich alsnog te scholen. Hij begon met een hovenierscursus bij de Leidse Onderwijs Instellingen en meldde zich daarna aan met zijn diploma bij het Groencollege in Goes. Aan het diploma van het LOI hechtte de agrarische school echter geen waarde; Jilles kon beginnen op niveau 2. Die opleiding doorliep hij in de avonduren, na het werk. Vervolgens haalde hij alle diploma’s voor het hoveniersvak op niveau 3 en haalde bij het NHA ook nog zijn middenstandsdiploma. “Ik heb alle diploma’s gehaald om het werk en het bedrijf volwaardig en volledig te kunnen uitoefenen,” zegt Jilles. “Daar ben ik echt trots op, hoor. Vroeger was ik zo onzeker en dat stempel van die drukke jongen, achtervolgt je overal. Het zegt helemaal niets over iemands capaciteiten en ik vind dat je mensen niet moet afschrijven en al helemaal niet volstoppen met medicijnen. Dat gebeurt nu zo vaak, en zo gauw.”

Jilles, die nog vrijgezel is, leidt het hoveniersbedrijf intussen samen met zijn vader, die 61 jaar is. Ze hebben drie medewerkers in vaste dienst en op Noord Beveland een bloeiende praktijk. “Ik vind het zo leuk om te werken in de tuinen en op de erven, om met klanten te praten en te overleggen. Om zelfstandig te zijn… We geven drie andere mensen werk; dat is toch geweldig?? Ik ben echt gelukkig, nu.”
Jilles ziet de toekomst van het bedrijf met vertrouwen tegemoet. “Het is goed zoals het nu is, al zou het mooi zijn wanneer we nog een klein beetje zouden kunnen groeien en er twee of drie mensen er bij zouden kunnen nemen. Dat zou betekenen dat we dan echt een stabiel bedrijf hebben en zeker van een basis aan vast werk. Dat gaat ons vast lukken. Dan komt het echt allemaal in orde.”