Kats, 16 september 2007

Beste,

De voorbije drie weken heb ik niet aan of voor het Kats beraad kunnen werken, naast het gewone werk en het geregel, behorend bij de aankoop van een huis. In plaats deze brieven en de bijbehorende stellingen, heb ik me intensief bemoeid met de kwestie van het ontpolderen, het doorsteken van de zeedijken langs de Westerschelde, als compensatie voor het verdiepen van de vaarweg naar Antwerpen. Waarom?

Deze zomer, 17 juli, schreef de minister van Landbouw, Gerda Verburg, aan het Zeeuwse college van Gedeputeerde Staten dat zij vast van plan is om nog dit jaar een begin te maken met het doorsteken van de zeedijk van de Hertogin Hedwigepolder en de Prosperpolder in Zeeuwsch Vlaanderen. Dit ontpolderen, ik heb er al over geschreven, is een halszaak in Zeeland. Niet alleen omdat tweederde van de mensen radicaal tegen zijn, maar ook omdat er geen rationele argumenten voor zijn, en dat het de voorbode is van in het totaal 3000 hectare die ambtenaren en natuurorganisaties aan de Westerschelde willen ontpolderen. Het is voor de Zeeuwen een zelfde strijd, zoals die 35 jaar geleden werd gevoerd voor het openhouden van de Oosterschelde. Ook toen was het een strijd van gewone mensen, aangevoerd door een klein clubje, tegen de macht van de macht, met als inzet het behoud en de ontwikkeling van een cultuur en een landschap. Het verschil met de strijd om de Oosterschelde is dat we nu ook tegenstanders vinden in de gevestigde natuurbeweging. Hun invloed op het beleid, op regelgeving en justitie is ongemeen groot en de politiek heeft daar nauwelijks vat op, temeer niet omdat ook nauwe relaties bestaan tussen ambtenaren, betaalde milieuactivisten en politici. Zij wisselen met regelmaat van positie.

Ik vind het van belang dat onze partij in deze kwestie zichtbaar is, aan de kant van de mensen staat, vooral omdat keer op keer de inzichten en ervaringen van de mensen hier, werden genegeerd. Iedereen had wel mooie woorden, maar het gaat er om wie zich laat zien wanneer het er op aan komt. Ik vind het gewoon niet goed wanneer de mensen in de steek worden gelaten en opgevangen door de anti-politiek, door Geert Wilders, en aan de andere kant van de grens hier, door het Vlaams Belang. Dus, samen met Maria le Roy, lijsttrekker bij de Statenverkiezingen ben ik actief in het comite “Verdedig de Dijken.”, en zullen we samen met de Zeeuws Vlamingen zij aan zij blijven staan.

Er is nog iets wat ik wil voorleggen, wat de afgelopen weken speelde en speelt, de Rooie Veren van Jacques Monasch, het komende congres. Mij is de vraag voorgelegd  of we binnen dit verband daar niet zouden bij aansluiten. Ik heb daarover nagedacht, een aantal geconsulteerd en bedacht dat het beter is dat niet te doen. Laten we het Kats Beraad buiten die snelle stroom leiden en houden. Het is zo gemakkelijk om het licht in Nieuwspoort op te zoeken; maar juist dat is nu precies wat niet moet gebeuren. Immers, politiek wordt gemaakt of gebroken in dertig seconden, en daaruit vloeit voort een overmatige oppervlakkigheid en risicovolle lichtheid in het democratisch proces. Misschien ben je wereldvreemd wanneer je denkt die snelheid te kunnen keren. Ik ben niet wereldvreemd, en dat moet het Kats Beraad ook niet zijn, maar een ieder ziet ook dat onder de snelheid een stroom beweegt die fundamenteel is. Het moet gaan om die stroom te verstaan, te begrijpen,  te duiden  en waar mogelijk en noodzakelijk te corrigeren. Dat moet de opdracht zijn voor het Kats Beraad, en dus kunnen we alleen maar wat doen wanneer we een perspectief kiezen op middellange termijn.

Een tweede element is dat we een groot deel van de deelnemers in dit Beraad zouden verliezen wanneer we ons zouden hebben aangesloten bij de Rode Veren. Dat kan niet de bedoeling zijn. Ik ben er van overtuigd dat we ieders denkkracht nodig hebben. Daarom schrijf ik hier voort en roep jullie op om zo veel als mogelijk te reageren.

In deze brief, zo blijkt hoop ik ook uit de inleiding, gaat het om de solidaire partij. Wat betekent solidariteit voor de sociaal democratie aan het begin van de 21 ste eeuw? Het lijkt me eenvoudig, maar bij nader inzien is het zo eenvoudig niet. In onze geschiedenis was solidariteit een noodzaak, een voorwaarde om gezamenlijke doelen te bereiken. Geen algemeen kiesrecht zonder brede onderlinge verbondenheid, geen achturen werkdag zonder samenwerking  binnen en met de arbeidersbeweging. Geen sociale zekerheid zonder solidariteit, dat leerde ons Willem Drees.

Maar geldt die solidariteit nog steeds? En zo ja, is deze dan nog houdbaar in de toekomst, wanneer de wereldbevolking nog eens met drie miljard mensen toeneemt, of steeds ouder wordt? Is de solidariteit binnen de gezondheidszorg houdbaar, en wenselijk? Wie garandeert of organiseert solidariteit? De staat, de vakbond, of de buurman of de buurvrouw?  Het zijn wezenlijke vragen waarop een eenduidig antwoord volgens mij niet mogelijk is.

Kats is een eenvoudig dorpje, aan de oostkant van Noord Beveland. In het verleden was het een dorp van landarbeiders en er om heen woonden grote boeren, zoals overal in de Delta. Maar Kats was ook een bijzonder dorp, in vergelijking met de rest van Zeeland, het was een gevaarlijke, een rooie hoek. Wie er niet echt naar toe moest, kwam nooit in Kats; het was en is zo plek aan het einde van alles, voor zover dat in dit kleine land kan. Maar toch, wie hier leefde en werkte had het met elkaar te doen. Er werden gemeenschappelijk kolen ingekocht, varkens werden gedeeld, de ziekenkas waaruit het latere ziekenfonds voortvloeide ontstond in Kats, de vakbond kwam hier van de grond. Onderling verbondenheid was hier geen idee maar een voorwaarde. Onder de boeren waren er vrijdenkers, liberalen die zich op sommige terreinen verstonden met de landarbeiders.

Wanneer je nog verder terug gaat in de geschiedenis, tot aan de heren van Kats, dan herinner je je misschien de geschiedenis van Floris de vijfde, “de Keerlen Godts” was het niet zo? In ieder geval leerden de heren van Kats aan Floris, die waren aangesteld voor zijn opvoeding, dat hij zich moest verstaan met de gewone mensen. Dat heeft hij gedaan, en het was de basis voor zijn reputatie, die na eeuwen nog door klinkt.

Hoewel Kats de voorbije jaren ingrijpend is veranderd, omdat een aantal hier relatief goedkope huizen kochten en er alleen maar komen om te slapen, voel je die mentaliteit nog steeds op het dorp. Centraal daarin staat de basisschool, de wezenlijke motor in en van het dorp. Er wordt niet alleen les gegeven, maar zoveel meer. Ouders zijn en blijven bij de school betrokken, ook nadat hun kinderen allang naar het vervolgonderwijs zijn gegaan. Vanuit de school wordt de speeltuin georganiseerd en onderhouden, wordt de sportvereniging in leven gehouden, het oud papier opgehaald, het kerstfeest en de fietspuzzeltocht georganiseerd. De heren van Kats komen nog steeds op het dorp, eens in de twee jaren en geven dan alle kinderen van het dorp een cadeautje, tijdens een feestmiddag. Koninginnedag vieren wij wanneer het ons uit komt, maar nooit op Koninginnedag.

Is solidariteit in Kats nog steeds vanzelfsprekend? Ik denk het wel, en ik denk ook in de rest van het land, hoezeer de verschillen ook zijn gegroeid en het eigen belang de overhand kreeg. Wanneer de dijken breken, wanneer de schapen vluchten, er brand ontstaat, dan ontstaat solidariteit. Wanneer er onmiddellijk hulp geboden is, zie je verbondenheid. Maar ook wanneer men het belang in ziet van de noodzaak de draaimolen in de speeltuin te schilderen. En waarom schildert men de draaimolen? Omdat het anders niet gebeurt. De speeltuin is hier ontstaan en gemaakt door de vaders en grootvaders zelf. Nu aast de gemeente op de speeltuin, zogenaamd omdat de aansprakelijkheid niet langer meer gedragen kan worden door de mensen zelf.

Ik stel dit bewust zo een beetje scherp, want de gemeente aast niet en bedoelt het vanuit haar oogpunt wellicht nog goed ook. Maar wat is het gevolg? Niet langer meer vaders die een paar zaterdagochtenden samenwerken, geen gevoel meer van verbondenheid met en voor de speeltuin, die een gemeenschap is, en die rotte atmosfeer van aansprakelijkheid, angst en advocaten wanneer ergens in de publieke ruimte een ongeluk gebeurt. Vanzelfsprekend zijn jongeren niet meer aan te spreken op de zorg voor en in de speeltuin, en dus is een vuurtje gauw gestookt; worden bierflessen kapot gegooid, noem maar op.

Waar ik naar toe wil is dat ik denk dat solidariteit niet in alle gevallen een zaak moet en mag zijn van de overheid. Laat in hemelsnaam de gemeenschap zorg kunnen dragen, voor het groen, voor de kinderen. Hoe goed bedoeld ook, wij hadden in het dorp een hele ploeg vrijwilligers en vrijwilligsters die zorgden voor de kinderen op school, tussen de middag, en na schooltijd bij vriendjes en vriendinnetjes. Nu is er de buitenschoolse opvang gekomen, streng anoniem want iemand die van verre komt en na een paar weken weer wordt vervangen. Mijn zoon weigert over te blijven nu op school, het is niet leuk, want idiote regels, en duur. Voor het dorpshuis is een speelhoekje gekomen, met dat idiote hekwerk er om heen, en, aan vier palen verbonden een wit zeiltje er boven, zodat we het hier Kompound ‘Kats noemen; geen kind wil er spelen…. Maar zo zijn de regels, zo organiseren wij de gemeenschap, zegt de overheid en nogmaals, ongetwijfeld met de beste bedoelingen. Maar de onderlinge verbondenheid wordt zo wel kapot gemaakt, zelfs in Kats.

Ik wil hiermee niet zeggen dat de buitenschoolse opvang niet nodig is, of verkeerd, maar wel dat elke gemeenschap zichzelf moet kunnen dragen wanneer dat kan en wenselijk is. Dat geldt hier voor de school, voor de speeltuin, voor de zorg voor ouderen, en zelfs, voor een niet onbelangrijk deel voor de dijken (dijkbewaking). Solidariteit ontstaat wanneer in een gemeenschap een gemeenschappelijk belang wordt ervaren; de overheid moet niet, ook al zijn de bedoelingen goed, alles naar zich toe willen trekken. Geef burgers vertrouwen, geef solidariteit een kans. Denk aan de vaders die gezamenlijk in Amsterdam door de wijken wandelen en ontsporende knapen aanspreken en corrigeren. Denk aan de Zeeuwen en Vlamingen die gezamenlijk de dijken zullen verdedigen, wanneer den Haag besluit ze door te steken. Daarom bepleit ik nadrukkelijk dat we nadenken  over de vraag wat een gemeenschap aan solidariteit kan en moet organiseren.

Vanzelfsprekend is er ook een meer sociaal economische manier om solidariteit te beschouwen. De economie is zo enorm geïnternationaliseerd, terwijl, alle mooie verhalen over grensoverschrijdende arbeid in Europees verband, de werknemers die ontwikkeling nooit kunnen bijhouden. De vaart waarmee het flitsende kapitaal zich over de wereld wenkt, staat in geen verhouding tot een werknemer die een gezin heeft, en gebonden is aan tijd en plaats, hoe kortlopend zijn of haar contract ook. Hoe organiseer je in die context de solidariteit onder werknemers? Ik was in de fabrieken van Renault, in Vilvoorde, toen in Frankrijk besloten werd de fabriek naar Spanje te verhuizen, omwille van subsidies en lagere lonen. En ondanks alle inspanningen van de bonden, zijn werknemers echt nog niet voldoende internationaal georganiseerd. Het is beter dan een paar jaar geleden, maar tegen het snelle kapitaal is arbeid vooralsnog niet opgewassen; ook hier om moeten we de banden met de (internationale) vakbeweging scherper en intenser aanhalen.

Welaan, het is weer een heel verhaal geworden. Ik ga gauw koken voor de jongens. Heel hartelijke groeten van Jan

Naschrift

Vrijdag, aan het einde van de middag, wilde ik snel de brief over de solidaire partij afsluiten en verzenden, want het eten voor mijn zonen moest worden gekookt, de was nog opgehangen, en alles op tijd klaar in verband met de afdelingsvergadering, hier op het eiland.

Waaraan ik nog dacht toen ik het over de solidaire partij had, was het volgende. De liberale politieke filosofie gaat nadrukkelijk uit van het individu als maatstaf en motor van het leven, voor de economie. Wanneer je je daarin verdiept, zul je heel aspecten en inzichten ontdekken die wezenlijk zijn en ongetwijfeld grote waarheden in zich dragen. Maar altijd zul je zien dat het uiteindelijk het recht van de sterkste is, waardoor de liberale filosofie wordt gevoed. Wanneer een bedrijf omvalt door de scherpe concurrentie vanuit de lage loon landen, zijn er zovelen die pech hebben, mensen met een gespecialiseerde kennis, met een net te hoge leeftijd, mensen die een lichamelijk probleem hebben. Pech, zomaar. De opmerking dat iedereen een leven lang leren moet, is een dooddoener. Ieder mens, leert elke dag, maar niet ieder mens is in staat om zich over schoolboeken te buigen. Sommige mensen leren ook door een vak uit te oefenen, door van een balk staal een kiel te maken, of door te kijken naar de lucht, te denken over de aard van de wind en dan een fuik te plaatsen; er zijn mensen die leren van het doen en wanneer het doen weg valt, worden zij er van beschuldigd dat zij niet hebben geleerd. Wij staan niet aan de kant van de mensen die zeggen: pech, je zoekt het maar uit, met een kleine uitkering. Ik vind dat we die solidariteit nadrukkelijker en in een breder verhaal steeds moeten uitleggen en in het dagelijks leven moeten bewijzen. Solidaritet is een keuze en een levenshouding, weten en voelen dat je elkaar nodig hebt omdat je anders wordt veroordeeld door diegene die zegt: pech, zoek het maar uit.

En denk er aan, onze partij heeft als een sterk bestuurlijk karakter en imago, maar het openbaar bestuur, de (semi) publieke zaak zegt te vaak, tegen te veel mensen: pech, zoek het maar uit. En als de (semi) overheid dat dan niet zo zegt, is ze in haar handelen vervolgens zo ingewikkeld of traag, dat de goede bedoelingen precies tegen tegenovergestelde effect bereiken. Wie van jullie heeft eens te maken gehad met een reintegratiebureau? Ik wel. Dat dat (semi) overheidsoptreden een gevolg is van de liberale opvattingen van de voorbije decennia, is geen excuus. We zijn daarvoor minstens medeverantwoordelijk.

Solidariteit betekent geen uniformiteit; daarvoor is de samenleving te divers. Maar evenmin is het zo dat de individualiteit solidariteit uitsluit. Meer nog, ik denk wel eens dat de individualiteit een excuus is om de verbondenheid als idee weg te poetsen.

Ik keer nog even terug naar het hek om het speelhoekje voor ons dorpshuis, de kompound Kats. Door regels van de overheid is het zo georganiseerd dat zelfs de kleinste kinderen, beschermd door dat idiote hek, dat idiote zonnedoek, niet leren wat mag en wat niet uit angst dat ze zouden kunnen vallen, of struikelen. Elke verantwoordelijkheid voor elkaar, van de juf voor de peuter, voor de kinderen onderling, werd nu weggenomen door regels van mensen voor wie het leven alleen beleid is. Verbondenheid en verantwoordelijkheid voor elkaar zijn vervangen door angst en onzekerheid.

In mijn beleving moet onze beweging daar op alle niveau’s en tot in het diepst van haar ziel tegen opstaan en tekeer gaan. Solidariteit maakt ons samen sterk.

Morgen zal ik de reacties op de eerste stelling verwerken en een volgende stelling opmaken. Tegen het einde van de week moet een en ander jullie kunnen bereiken.

Tot hier, groet van Jan