Kats, 4 maart 2008.

Beste Allemaal,

Vorige week moest ik berichten dat een bijeenkomst in den Haag in de marge van een landelijke bijeenkomst over duurzaamheid en milieu niet door kon gaan. Dat is jammer, maar ja, zo gaan die dingen. Dit zal zeker samenhangen met de aard van het Kats Beraad; het ontbeert een duidelijke rol in de partij, nadat ik, na overleg met Mariette, heet niet verstandig achtte mee te bewegen op de golf van de Rode Veren, voorafgaand aan de jongste PvdA congres. Ik zag en zie het Kats Beraad als een inspiratiebron, zowel inhoudelijk als organisatorisch, zie het open en informeel van structuur en vriendschappelijk van aard. In die zin hecht het Kats Beraad minder aan posities, procedures en structuren, maar meer aan vrijheid, verantwoordelijkheid en bezieling, hoe vaag die begrippen in de praktijk van alledag ook zijn. Dat leidt er toe dat het moeilijk is om een bijeenkomst te organiseren, want waarom van zo verre komen voor iets wat ook nog eens ongrijpbaar is?

En toch ben ik eigenwijs te denken dat iets als het Kats Beraad een noodzaak is voor een partij, voor een beweging als de onze. Laat er ergens in de partij, desnoods in een uithoek in Zeeland, misschien in het vrije Fryslan, een hoekje zijn waar de wind waait en de zon in het water schittert om vandaar, gezamenlijk, weer verder te kunnen en, misschien, scherper te kunnen zien. Om die reden moeten we het Kats Beraad maar niet opgeven.

Het wordt een wat lange brief, over de leidende partij, een van de aspecten waarover ik in deze eerste reeks nog wilde schrijven. Weet je, ik erger me aan de gedachte dat de inspiratiebron voor de sociaal democratie nu Barack Obama is. Hoeveel respect ik ook heb voor een ieder die de moed heeft zich als kandidaat president van de Verenigde Staten van America op te werpen, ik vind het toch een teken van armoede dat onze inspiratie via de televisie uit de Verenigde Staten moet komen.

We hebben onze eigen verantwoordelijkheid, onze eigen werkelijkheid en dienen daaraan onze inspiratie te ontlenen. Kom nou, toch. Met respect voor Obama, mijn inspiratiebron is Pietje Gering uit Hulst; Gering is de naam. Of Gommert, voor wie zes euro in de week net het verschil maakt of hij iets kan kopen voor zijn kleinkind of niet, of Nikki en Nathalie met hun Hello World, of Yoeri van 14 jaar omdat hij thuis zit, na een geschiedenis van ellende en agressie en geen kant meer op kan, of die jongen die zo graag een stage plaats wil veroveren, maar zijn naam is niet Pietje Gering, maar Mohammed…

We zijn even goed in staat een inspirerend perspectief te ontwikkelen en uit te dragen. Kunnen wij de wereld niet overzien, zijn wij niet in staat de dingen te benoemen en een perspectief onder woorden te brengen? Het mag ons niet aan moed ontbreken. We hoeven alleen maar niet bang te zijn… Kom op, aan de slag.

Een van de aspecten van de partij die ik in deze eerste reeks van brieven nog wilde beschrijven, is dus die van de leidende partij… hoe ziet die partij er uit in een periode waarin de rol  van de media zo groot, zo beeldbepalend is, de wereld groot en klein is tegelijkertijd en alle structuren in de samenleving in beweging lijken, als het wisselend licht op de Oosterschelde? Je zou kunnen denken dat ik nu een inhoudelijk programma zou schrijven op basis waarvan die leidende positie zou kunnen worden ingenomen. Nee, dat is niet mijn bedoeling; die inhoudelijke zaken komen later aan bod, in een volgende reeks van brieven.

Nu gaat het om de manier waarop de partij zich maatschappelijk zo zou moeten organiseren dat zij een leidende rol in de democratie kan innemen. Hoe doe je dat? Achter die vraag schuilt ook het probleem van de onduidelijkheid in en over de Partij van de Arbeid, waarin zovele stromingen vertegenwoordigd zijn. Ik ben zo eigenwijs te denken dat je je door die verschillende stromingen en verschillende werkelijkheden niet mag laten tegenhouden. De problemen waarmee de mensen, onze kiezers geconfronteerd worden, vragen om een inspanning.

De jongste weken is er weer een enorme aandacht voor de periode van Joop den Uyl, die als

politiek denker en politiek leider een enorme invloed had op de PvdA. Paul Kalma en Frans Beckers schreven een groot essay over den Uyl in S&D, Annet Bleich publiceerde een biografie van den Uyl; Wouter Bos, Jan Pronk en Frits Bolkenstein spraken zich publiekelijk uit over den Uyl. Die aandacht is niet vreemd omdat de sociaal democratie een periode doormaakt waarin het denken over vrijheid en vrije markt de koers domineert en heeft gedomineerd.

Een van de min of meer romantische beelden die rond Joop den Uyl blijven hangen, is de manier waarop den Uyl de intellectuele voorhoede van de sociaal democratie organiseerde door kunstenaars, dichters, denkers en wetenschappers te binden en te inspireren. Hoewel het van het grootste belang is om een organisch en direct verbond te hebben met de wereld van wetenschap en cultuur, is de gedachte dat je met deze toverformule de sociaal democratie van zuurstof en nieuw bloed zou kunnen voorzien, wellicht beperkt. Immers de culturele en wetenschappelijke werelden ontberen een wezenlijke hiërarchie en zijn bovendien zo divers van aard dat elke conclusie betwist zou kunnen worden. Dat laat onverlet, nogmaals, dat het van grootste belang is om wetenschappelijke en culturele ontwikkelingen te kennen, te begrijpen en te duiden. Maar het idee dat je met een dichter, een architect, een professor en een beeldend kunstenaar een toekomstperspectief voor de sociaal democcratie zou kunnen schrijven is naief.

Wat mij betreft is de sociaal democratie uitgevonden om het lot van mensen te verbeteren, te beschermen en van een perspectief te voorzien. Daarbij gelden menselijkheid, gemeenschapszin, gelijkwaardigheid, verbondenheid, verantwoordelijkheid, vrijheid en rechtsgelijkheid als uitgangspunten. Eenvoudiger kan ik het niet onder woorden brengen. Om dat te bereiken is macht en invloed noodzakelijk, maar mentaal zullen wij ons altijd van de macht moeten ontdoen, niet eens in de vier jaar, maar practisch, elke dag opnieuw om de volgende ochtend, zoals mijn moeder me leerde, opnieuw te kunnen beginnen.

Ik denk dat een heleboel volksvertegenwoordigers geen moeite hebben met deze houding, maar een aantal zeker wel. In ieder geval hier, om me heen, op Zeeuws niveau is een plaats in en aan de macht zowat een levensvervulling, en dus ook een levenshouding. Eenmaal tot gekozen voelen velen zich verheven en beperkt de werkelijkheid zich tot onderlinge verhoudingen, tot stukken, tot posities. Ook hier de goeden niet te na gesproken.

Zojuist heb ik een discussie bijgewoond in Maastricht, georganiseerd door het stadsbestuur voor ondernemers. Onderwerp van gesprek was de Euregio, als proeftuin voor grensoverschrijdende samenwerking. Jan Mans, onze partijgenoot, deed een aardige suggestie om vrij te denken, om ruimte te scheppen om de wezenlijke obstakels uit de weg te ruimen en zich niets aan te trekken van wet en regelgeving. Zijn pleidooi en de daarop volgende discussie bleef evenwel gericht op het harmoniseren van regels over de grenzen.

Daar heb je als ondernemer, maar vooral als werknemer dus geen klap aan. Denk eens in om hoeveel regels het gaat, om lokale, provinciale, Nederlandse, Vlaamse, Duitse, Waalse en Europese regels. Harmoniseren, dereguleren…? Ik geloof niet dat de eerst komende vijf jaar die kwestie zal zijn geregeld, laat ik het zo voorzichtig stellen.

De economie van het kapitaal kent feitelijk geen grenzen meer; maar voor werknemers bestaan die oude, nationale grenzen daarom meer dan ooit. Overheden in de grensstreken worden door diezelfde nationale wetten en regels evenzeer geconfronteerd met de oude nationale grenzen.

Zijn die grenzen nu werkelijk zo moeilijk om te slechten? Welnee. De basis is wederzijds vertrouwen; daaruit volgt de rest als vanzelf. Ik werd volwassen in Vlaanderen, in Brussel en Waals Brabant en vertrouw onze Vlaamse, Waalse, Brusselse en Duitse buren als vanzelfsprekend. Ze doen sommige dingen anders, zeker, maar ik vertrouw ze wel, hoor. Waarom zou ik de wetten en regels van mijn buren niet kunnen aanvaarden?

Mijn voorstel is, voor wat betreft werknemers daarom eenvoudig. Je betaalt belasting en bent verzekert in het land waar je woont; waar je werkt of school gaat doet niet terzake. In elke gemeente is één loket waar je dat als burger, als werknemer, daarvoor terecht kunt. De overheden, achter dat gemeentelijke loket vereffenen vervolgens de noodzakelijke financien en regels. Daardoor worden de grenzen tenminste voor werknemers weggenomen en dragen zij niet langer de lasten van nationale grenzen, maar komen die problemen terecht daar waar ook de verantwoordelijkheid voor de grenzen ligt, namelijk bij de overheid. Zowel de politiek als de bureaucratie zullen met die houding niet alleen dienstbaar zijn aan de burgers, maar ook sneller geneigd zijn om grensproblemen op te lossen. Het heeft bovendien als effect dat grensoverschrijdend verkeer van arbeid nu eerst mogelijk wordt. Vanzelfsprekend zou je dit idee moeten uitwerken, ook voor het openen van een markt. Wanneer ik, hier in Kats,  een Vlaamse aannemer vraag mijn huis te (ver)bouwen en hij dat doet volgens de Vlaamse regels, dan moet dat in orde zijn. Ik moet me dan vervolgens ook niet op de Nederlandse regels beroepen… en de Nederlandse overheid moet de Vlaamse regels evengoed aanvaarden. Toch? In Vlaanderen worden ook huizen gebouwd, niet volgens het Nederlands bouwbesluit maar even goed, met vier muren en een dak, ramen en een voordeur.

Wat ik hiermee wil aangeven is dat politiek en openbaar bestuur een houding vraagt die zich mentaal kan losmaken van dagelijkse verantwoordelijkheden en uit kan gaan van maatschappelijke belangen en tegenstellingen, een houding die onderzoekend is, open en kwetsbaar, dienstbaar en normgevend. Ik heb vaak de indruk dat de Partij van de Arbeid zich nadrukkelijk identificeert met de belangen van lokale, provinciale en nationale overheden, eerder dan met de belangen en de bekommernissen van de mensen.

Woensdag 5 maart.

Wat alles relativeert, en zo hoort het ook, is de manier waarop de bijeenkomst in Maastricht in de avonduren een vervolg kreeg. Het gezelschap, ondernemers, (stads)bestuurders, ambtenaren, werd uitgenodigd om met een avonddiner de start van de Limburg week in de Hogere Hotelschool in Maastricht bij te wonen. Welaan, zoiets maakte ik nog niet eerder mee. Die hotelschool is gevestigd in en om een oud kasteel (de dikke toren dateert uit de dertiende eeuw), met een echte poort en een binnenplaats waar om gebouwen staan, in het wit geschilderd.

Het gezelschap, waartoe ik was uitgenodigd omwille van mijn bemoeienissen met het Huis voor Europa, was mij volkomen onbekend, maar op basis van oppervlakkige indrukken meen ik, dat hier de Maastrichtse en Zuid Limbrugse elite aanwezig was. Deftig zeker, maar wel een vrolijke boel. We werden door studenten ontvangen in een prachtige zaal uit de zestiende eeuw, met een glas wijn of, gelukkig, appelsap. (Wellicht weet niet iedereen het maar in mijn periode bij de Morgen in Brussel werd ik al Sappie genoemd; ik drink nu eenmaal zelden alcoholische drankjes). Ik kwam er aan de praat met een ondernemer in zink en zijn Poolse compagnon, en met een kleine uitgever uit Lanaken. (Daar zitten Nederlandse 500 drugsrunner, die elk gemiddeld over drie appartementen beschikken, over wapens, over harddrugs. Het werd mij later bevestigd door een burgemeester uit een van de kleine Zuid Limburgse gemeenten.) Na verloop van tijd werd deze ontvangst beeindigd door een prachtig uitgedoste fanfare, die het gezelschap van de ontvangstzaal in het kasteel naar de eetzaal in de aangrenzende hotelschool begeleidde. Alle deftigheid maakte plaats voor hartelijke vrolijkheid en later, tijdens het uren durende diner, bleef die vrolijke ongedwongen atmosfeer. Het eten was bereid met streekgerechten en wel zo verfijnd, zo kleurrijk van smaak dat ik me realiseerde welk een afstand er bestaat tussen de stoemp die ik gewoonlijk maak en eet, en deze Limburgse eetcultuur. Eerst na middernacht werd ik door een licht beschonken burgemeester uit een van de kleine Limburgse gemeenten en haar wethouder naar mijn logement in de binnenstad van Maastricht terug gebracht.

 

Maar dit terzijde. Het gaat tenslotte om de leidende partij. Hoe organiseer je je wanneer een politieke ambtenaar zoals mevrouw Verdonk, of de groep rond Geert Wilders zeggen dat een politieke partij niet meer nodig is? Hoe organiseer je een politieke partij wanneer, zoals je dat nu in Zeeland toch regelmatig meemaakt, de leden zo oud zijn dat middenin een politieke discussie de vergeetachtigheid toeslaat en de opmerkingen onsamenhangend worden? Hoe organiseer je een politieke partij waarin de leden elkaar tot op het bot bevechten voor een plaatsje in een fractie of bestuur? Hoe voorkom je dat het democratisch bestuur een zaak wordt van alleen maar mensen die in de (semi) publieke sector werkzaam zijn? Hoe organiseer je een sociaal democratische partij wanneer de economie een mondiaal karakter heeft gekregen en regio’s vanuit een globaal perspectief kunnen worden bezien en begrepen?

In mijn vorige brieven heb ik aangegeven dat de partij meer in is en moet zijn: in een partij kun je leren, je kunt ontdekken, je ontwikkelen, je kunt kennis kunt overdragen, nu ja, al die facetten die ik in eerdere brieven beschreven heb. Ook een politieke partij kan mensen zoveel meer bieden dan de (inhoudelijke) organisatie van woordvoerders in raad en parlement.

Bertus Mulder die in zijn campagne voor het voorzitterschap als enige naar Zeeland kwam, reikte na afloop van de bijeenkomst een kleine brochure uit over Pieter Jelles Troelstra. Dat gebaar, dat bedoel ik nu met de kwaliteiten van een politieke partij. Die houding, die besloten ligt in het geven van een artikel over Troelstra, ja, dat is het; dat is het plezier waarom ik lid ben van een politieke partij. De brochure vertelde iets over Pieter Jelles Troelstra, van wie ik leven en werk slechts in grote lijnen kende. Maar nu was mijn belangstelling gewekt, ben gaan lezen (en daar nog lang niet klaar mee) en ontdekte de voettochten van Troelstra door zijn kiesarrondissementen.

Dat was nu net het kleine zetje wat ik nodig had. Wandelen?! Ja, natuurlijk. Te voet, in de geest van Pieter Jelles, in beweging komen, van deur naar deur en waarom niet? Een inspectietocht van de democratie; ik wil alles weten, van werk, natuur en milieu, landbouw en industrie, integratie en religie, jongeren en ouderen, werk en uitkeringen, zorg, onderwijs, etc, etc. Vanzelfsprekend is het niet een tocht, voorbehouden aan en voor sociaal democraten. Ik wil ook mensen uit andere partijen mee nemen, kennis vergaren uit en door alle facetten van de samenleving. En telkens, na een periode, organiseer ik een openbaar gesprek, een volksvergadering.

Straks, in 2009 zijn er Europese verkiezingen; Europese samenwerking is mijn passie omdat ik wil dat die samenwerking verbonden wordt met alle lagen van de samenleving. Goed, die verkiezingen bereiken tot nu toe misschien een derde van de kiezers en dat is niet veel. Bovendien is er dat hele circus van het referendum geweest waardoor die Europese samenwerking nog kwetsbaarder is geworden dan het al was. Ook Europese samenwerking is een reden om te wandelen.

Dan is er nog mijn omgeving, Zeeland, waarin de PvdA zichzelf bijna ten gronde heeft gericht… een gruwelijke periode, uitmondend in de dood van een van onze bestuurs en raadsleden, Beppie Koopman, 54 jaar. Ik hoop dat mijn voettocht er toe kan bij dragen dat de sociaal democratie  in Zeeland nieuwe mensen kan binden en een nieuw optimistisch programma voor de toekomst kan opleveren.

De voettocht zal ik anderhalf jaar volhouden, tot en met de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2009. Het leidt al tot een mooi effect: Omroep Zeeland zal me volgen, wekelijks via de radio en vervolgens enkele dagen later via een gesproken column op de televisie die zal uitmonden in een publiek debat.

Dus, zo ben ik begonnen, in de kou, afgezet door een bevriende boer, op de grens van Zeeuws Vlaanderen en Oost Vlaanderen, vlak bij de kerncentrales van Doel. Intussen ben ik zeven etappes verder.

Wat er gebeurt is het volgende. Met mijn gestap door de streek, met toevallige en georganiseerde ontmoetingen, kom je met zoveel verschillende mensen aan de praat, leer en hoor je over een volkomen andere werkelijkheid dan die van de media, beleidsnotities, of folders van projectontwikkelaars, bedrijven, organisaties.

Je ziet hoe de wereld van die elite zich langzaam achter het prikkeldraad terugtrekt, figuurlijk, maar ook werkelijk, in de vorm van natuurgebieden, waar kinderen geen hutten meer mogen bouwen, noch kunnen leren hoe je lamsoor moet snijden, en wanneer. De elite kan die afgesloten gebieden wel in, voor onderzoek, natuurlijk en onderhoud. Buitenstaanders mogen mee, op excursie. 

Er is ook een groot financieel verschil tussen wie hier woont en werkt, tussen de projectontwikkelaars, wetenschappers en professionals die in de samenleving de lijnen trekken. Voor hen is het mogelijk en zelfs gewoon om een weekeinde te gaan flaneren in Barcelona, of op vakantie te gaan naar Thailand. Maar Piet Gering uit Hulst, “en niet met een o,” zoals hij zei, “dus beter Gering, dan Goering,” wel, Pietje Gering kent alleen een andere wereld, namelijk die van het land van Hulst, die van de stroming in de Schelde, en de gevaren van een dijkval. Hij kan zich redden, net. Zoals de moeder die niet meer dan drie dagen werk kan vinden, en twee kinderen heeft die naar de middelbare school gaan, het net niet redt.

Dit was natuurlijk te verwachten.

Na de eerste ronde door oostelijk Zeeuws Vlaanderen hebben we afgelopen vrijdag een publiek gesprek georganiseerd in Hulst, samen met Dorette Corbey en Lily Jacobs, beiden lid van het Europees Parlement en met directe bemoeienis vanuit hun portefeuille met deze regio. Dorette en Lily wandelden in de ochtenduren een stukje mee op en zijn  daarna met mijn trouwe bondgenoot in deze, Addy Cleven, in de auto verder gegaan voor een rit door de streek en gesprekken met een paar boeren, die direct getroffen worden door verschillende projecten met een Europese dimensie.

Dat publieke gesprek was echt een succes; we hadden onder andere voor en tegenstanders van het ontpolderen uitgenodigd (de gesubsidieerde natuurbeweging  tegenover de bevolking) en ik durf te zeggen dat voor het eerst in twaalf jaar een fatsoenlijk gesprek tussen de verschillende partijen mogelijk bleek. Ik had erg goed nagedacht over de wijze waarop ik dat gesprek zou aanpakken en zou leiden. Dorette zei na afloop dat er in het begin zowat een siddering door de zaal ging, wanneer de een of de ander sprak, maar dat de spanning na verloop van tijd oploste en er wel degelijk een gemeenschappelijke basis werd gevonden. Kijk, debat is allemaal mooi en aardig, maar wanneer het leidt tot een dovemans gesprek, heb je niks aan debat en polarisatie. Debat, zoals hier in Zeeland over twee belangrijke kwesties zorgen al meer dan tien jaar voor stagnatie. Nu, stagnatie, dat is dus niet in het belang van de mensen, en al helemaal niet in het belang van onze mensen, onze kiezers.

Ik heb na de eerste ronde van wandelingen een aantal conclusies getrokken waarvoor alle niveau’s, lokaal, provinciaal, nationaal en Europees iets tussen zit waarmee onze volksvertegenwoordigers iets kunnen doen. Ik zal ze mee sturen.

De leidende partij is een onderzoekende partij, een partij die dichtbij en voor de mensen staat omdat dat nodig is voor zo velen. Pieter Jelles wist donders goed wat het perspectief was voor de sociaal democraten, de SDAP belichaamde dat perspectief, niet alleen als partij, ook in haar bondgenootschappen, anders gezegd inhoud en organisatie hoorden bij elkaar.

Je ziet om je heen hoe de internationale wereld zich snel organiseert. De Europese samenwerking gaat voort, niet in het minst omdat de economie zich aan grenzen niets gelegen laat. We kunnen de ogen niet sluiten voor het feit dat de eerste bestuurslaag (niet alleen in het openbaar bestuur, maar ook en vooral in het bedrijfsleven) een internationaal en Europees  karakter heeft; evenmin kunnen we ontkennen dat de landelijke overheid in toenemende mate taken afstoot naar lokaal niveau. De rol en betekenis van provincies is afhankelijk van de regio en verschilt van belangrijk (Fryslan) tot onherkenbaar (Zuid Holland). De invloed van “professionals” op het openbaar bestuur intussen is zo groot geworden dat je oprecht moet vrezen voor het democratisch draagvlak. Hier in Zeeland zie je hoe er door kleine clubjes van hoogopgeleiden, zoals Rijkswaterstaat, het Innovatieplatform of de Deltacommissie van Cees Veerman, plannen worden gemaakt over Zeeland. Die plannen, voor zover nu bekend, sluiten niet aan bij de sociaal culturele context in dit gebied en vinden al helemaal geen draagvlak bij de bevolking. Meer nog, als er ergens geweld en opstand te verwachten is, is het hier in Zeeland, op dit onderwerp. De Zeeuwse bevolking erkent de opdrachten die economie en klimaat stellen, maar vinden bij dit soort clubs, noch bij het provincial bestuur gehoor voor hun inzichten en voorstellen. Wel in de Tweede Kamer, gelukkig, maar “de professionals”, nee, die luisteren niet.

Waar ik naar toe wil is een leidende partij die de democratie waarachtig onderhoudt, die investeert in de gemeenschap, die aanvoert door te luisteren, te begrijpen, door uit te leggen en te informeren, beginnend vanaf de basis, met volksvergaderingen in dorpen en buurten, niet om onvrede te voeden, maar om perspectief te bieden, niet om het individualisme te versterken (not in my backyard/ de winst en verliesrekening) maar om verbanden te leggen en te organiseren. Dat moet en dat kan. En dat moet van onderaf, juist om de democratie te garanderen in een globaliserende wereld.

Daarom hoop ik dat onze partij een leidende partij zal door in eerste instantie het initiatief te nemen de democratie opnieuw uit te vinden, en het openbaar bestuur een menselijk gezicht te geven, daar waar nodig. Staat dat dan niet haaks op het gegeven dat dit een wereld is van ieder voor zich, van desinteresse en onverschilligheid. Kan zo wezen, maar ik merk het tegendeel. De vraag is alleen wie op staat, wie stem geeft… zie dan eens welk een kracht kan ontstaan. Ik nodig een ieder altijd uit om mee te doen.

In de voorbije brieven heb ik verteld hoe de partij zich te kort doet door zich eenzijdig op een plaats op “de lijst” te concentreren. Ik wil een bredere, diepere en verankerde sociaal democratische partij. Ik zou het Kats Beraad mede daarom willen voortzetten. Ik nodig jullie uit om eens mee te wandelen, niet allemaal tegelijk, natuurlijk. Dan wordt het ook weer zo,n wonderlijke fanfare op de zeedijk maar kom alleen of met een paar. In augustus, in de derde week, van 21 tot en met 23 augustus wil ik in Kats een bijeenkomst organiseren. Laten we het daar hebben over de verzorgingsstaat, waarbij we er van uitgaan dat iedereen mee doet in de samenleving,  laten we spreken over de internationale rechtsorde als basis voor toekomstige Europese en internationale verhoudingen; over gelijkwaardigheid en integratie, over klimaat en een economie van schaarste, over het herstel van het gemeenschappelijk belang in het (semi) publieke domein, over menselijkheid, over verantwoordelijkheid en over de onze droom. Ik hoop op jullie commentaar, vertrouw op reacties.

Ik hoop eind augustus op mooi weer, ben dan verhuisd hier in het dorp, en we zouden gebruik kunnen maken van het Nieuw Zeeland Huis. Buiten het dorp is een klein strand; de zedijk biedt immer rust. Lijkt jullie dit voorstel iets? Ik hoop het van harte.

Graag verneem ik,

Met een hartelijke, welgemeende groet,

Jan Schuurman Hess