Kats- Hulst.-  Zou er een betere startplaats denkbaar zijn voor een voettocht door Zeeland, dan de Markt van Hulst? Ik denk het niet. Tussen de Basiliek en het oude gemeentehuis, omringd door herbergen en restaurants, komt hier alles en iedereen tezamen, en dat al eeuwen. Hulst is een kleine stad, onder de rook van Antwerpen en St. Niklaas, net over de grens van het Vlaamse Waasland en Zeeuwsch Vlaanderen. Het is een uithoek, een grensstadje met stadswallen en stadspoorten nog intact. De geest is hier woest en eigenzinnig, zinnelijk maar ook verheven. Uit alle windstreken trekt Hulst volk aan en het is dat er auto’s staan op het plein tussen Basiliek en het gemeentehuis waardoor je je bewust bent van 2008, anders zou je je kunnen voorstellen dat de geschiedenis hier geen begin en geen einde kan hebben en krijgen.

Ewald Baecke, boer in de Hedwigepolder, stond me om 11 uur op te wachten op de markt in Hulst. Ewald wordt al meer dan tien jaar bedreigd door de plannen van het ontpolderen van de natuur en milieubeweging; we kennen elkaar uit het bestuur van de Levende Delta. In die club zoeken we naar alternatieven voor het ontpolderen en perspectieven voor de Zeeuwse Delta. Het verzet tegen het ontpolderen is in de Zeeuwse samenleving groot. Meer dan tweederde van de Zeeuwen wijst ontpolderen af. Het weerzien is in Hulst in zo hartelijk.

Via de smalle polderwegen rijden we naar de meest oostelijke hoek van Zeeuws Vlaanderen. Tijdens de rit zegt Ewald dat ik straks goed de toren van de Basiliek van Hulst als richtpunt moet aan houden. “Het is nog wel een eindje hoor, van de Hedwige naar Hulst,”vertelt Ewald, “zeker twintig kilometer. Misschien nog wat verder. Daarom moet je oppassen dat je niet verkeerd loopt.”

We rijden de Hedwigepolder binnen, een van de mooiste polders van Zeeuwsch Vlaanderen. In 1904 werd de polder bedijkt, gefinancierd door het oude adellijke geslacht van Arenberg, wat familiale vertakkingen heeft in heel Europa, van Spanje tot Polen, maar waar van de basis toch vooral in Brussel lag en ligt. Kort na de inpoldering werden de Hertogin Hedwigepolder en Prosperpolder door hen verkocht aan de familie de Cloedt, die nu, in de vierde generatie, . nog steeds eigenaar is van de polder. Ewald Baecke is een van de pachters van de Hedwige; ook al in de vierde generatie.

Over de smalle, rechte wegen, met hoge populieren aan weerszijden rijden we langs de akkers, sommige geploegd, anderen al weer groen door het opkomend wintergraan. Het is een stil, bescheiden land, een buffer tegen het industriële geweld van de Antwerpse haven en de kerncentrales van het Vlaamse Doel.

We rijden even voorbij de grenspaal. “Er wordt telkens gezegd dat Vlaanderen ook zal ontpolderen. Nou dat valt wel mee, hoor,”zegt Ewald. Hij wijst op een kleine strook land, acht hectare, die zal worden toegevoegd aan de 300 hectare die Nederland heeft aangewezen voor het “grensoverschrijdende natuurpark”. “Die strook in Vlaanderen zal net genoeg zijn om een dijklichaam te bouwen, want dat wordt toch al gauw vijftig meter breed. Dan blijft er dus aan Vlaamse kant nauwelijks iets over,” verzucht Ewald Baecke.

We rijden terug naar de grenspaal en bij een trap, aan de voet van de zeedijk, stappen we uit. We klimmen samen de dijk op. Buitendijks ligt een grote rietstrook en daarachter de Schelde, met de chemische fabrieken van BASF, de haventerreinen van Antwerpen, en de kerncentrales van Doel, gebouwd op het buitendijkse schor.

“Goede reis,” zegt Ewald, “en als er wat is, bel gerust,”zegt Ewald. “Je kunt nooit weten in dit gebied. Veel volk zul je niet tegen komen.”

Het is precies twaalf uur wanneer ik begin aan deze Voettocht. De wind is hard en ruig, bovenop de kruin van de dijk. Ik wandel in de richting van Emmadorp, met buitendijks het Verdronken Land van Saeftinghe, en binnendijks de pracht van de bedreigde Hedwigepolder. Het verdronken land van Saeftinghe, meer dan 3000 hectare groot, is van oorsprong een groot slikken en schorgebied maar door gebrek aan onderhoud de jongste jaren, door aanslibbing zover boven de vloedlijn gekropen dat van schor geen sprake meer is. Het gebied is eigendom van de staat maar wordt beheerd door het Zeeuws Landschap.

De mensen hier in de Delta hebben me verteld dat het gebied altijd in stand gehouden werd door zes, zeven schippers die het slib, zeeklei, afvoerden. Dat was handwerk en ging het gehele jaar door; de hoger gelegen delen werd door een herder met een schaapskudde begraasd. Zo bleef een uniek gebied in stand, met heel bijzondere waarden voor de natuur en met een belangrijke functie als buffer voor hoogwater.

Nu is daarvan geen sprake meer. Het Verdronken Land is verworden tot een Gevangen Land achter prikkeldraad, waaruit de mens verjaagd is. Niemand mag hier komen; het is streng verboden toegang. Geen grootgrondbezitter kan zich veroorloven, denk ik, terwijl ik voorstap over de dijk, om elk mens te weren.

Ik herinner me de laatste schaapsherder van de Hedwige, een 82 jarige oude baas die in Propsperpolderdorp woonde, en die ik op zocht, ruimt tien jaar geleden in mijn voorbereidingen op mijn toneelstuk de Dijk. De schaapherder, wiens naam ik ben vergeten, was niet een ambtenaar in dienst van een natuurorganisatie, maar gewoon een herder, een wachter van de schapen, zoals die er altijd in Zeeland zijn geweest. De schaapherder vertelde me over zijn tochten door Saeftinghe, over wat hij wist van de stromingen, en het water dat snel en onverhoeds kon stijgen. Hij vertelde over zijn vrienden, met wie hij fuiken zette, en leefde van de vondsten die van de schepen vielen die op Antwerpen vaarden. Van die wereld, waarin mens en natuur elkaar in evenwicht hielden, is geen klap meer over. Uit het Verdronken Land van Saeftinghe, met dat verschrikkelijke prikkeldraad over kilometers en kilometers, spreekt niets anders dan haat van de stichting het Zeeuws Landschap tegen de mensen, bedenk ik me. Het is geen wonder dat de Zeeuwse bevolking hier tegen in opstand komt. De strijd tegen het ontpolderen is niet alleen een strijd tegen een onzinnig en onlogisch natuurbeleid, maar ook en vooral is het een sociale strijd van gewone mensen tegen de coalitie van ambtenaren, het groot kapitaal en natuurbeschermers.

Het regent en stormt intussen  wanneer ik Emmadorp nader. Ik kan de toren van Hulst vanaf de dijk nog niet ontdekken, maar weet, dankzij Google Earth thuis, dat ik Emmadorp in zuidelijke richting moet verlaten. In het volkscafé het Verdronken Land zijn werklieden bezig met een verbouwing. Maar Gina, de uitbaatster, vraagt me binnen en biedt me koffie aan in het opkamertje. Ik haal mijn boterhamtrommeltje uit mijn rugzak en geniet van de warme koffie. Heerlijk, even uit de wind, en droog. Een van de werkmensen schuift aan. Hij pacht ook in de Hedwige, aan de Vlaamse kant, en is onteigend door de Vlaamse regering. Hij verafschuwt het ontpolderen. “We weten niet wat er gaat gebeuren. We horen het maar als het te laat is, en alle besluiten al zijn genomen,” zegt hij. “We zijn maar gewone mensen.”

Wanneer ik een half uurtje later weer op stap, de regen en kou in geeft Gina me in de deuropening vier mandarijnen mee, voor onderweg. “Ik heb ze gekregen van een mens, die een eigendom heeft in Spanje, en ze geplukt heeft in zijn hof.” Ik neem twee mandarijnen in dankbaarheid aan, en beloof terug te keren, wanneer de verbouwing in februari klaar is.

Aan het einde van de lange weg naar Hulst zie ik nog steeds geen toren van Hulst. Ik besluit een binnendijk op te lopen, die naar rechts leidt. Het is een prachtige dijk, oud en bezonken, met hoge populieren en aan de linkerkant een restant van een kreek. In de verte zie ik een hoeve liggen, maar mensen zijn niet te zien. Als ongeoefend wandelaar merk ik nu wel dat ik al  twee en een half uur aan het stappen ben. Mijn benen voel ik goed. Aan het einde van de binnendijk, geheel tegen mijn verwachting in, kan ik de toren van Hulst nog steeds niet zien liggen. Ik kan kiezen uit twee mogelijkheden, links of rechts af. De verkeerde keuze is duur; zover ik kan kijken is er geen dorp, geen hoeve te zien. Ik kies op mijn gevoel recht, omdat links, niet anders dan naar de Vlaamse grens kan leiden.

Even verder zie ik een verdedigingswerk, de Steenen Beer, zo blijkt uit een bordje met historisch – toeristische informatie. Ik ben te moe om de informatie op te nemen, maar begrijp uit een kaartje dat hier de Liniedijk in de buurt moet liggen en dat die dijk naar Hulst voert. Ook kan ik onthouden dat dit alles, die versterking en de Linie dijk is aangelegd tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Ik haal een mandarijn van Gina uit mijn rugzak en eet die lekker op; zelden was een mandarijn zo’n beloning, zo lekker.

Ik volg de weg en zie, opeens na een bocht, een gehucht, Zandberg, liggen, aan het restant van een kreek. Mensen zie ik niet, auto’s evenmin. Het lijkt wel alsof ik door die flarden van informatie en het stille dorp wordt terug geworpen in de tijd. Ja, de Tachtigjarige oorlog is voorbij, de Spanjaarden zijn vertrokken en de legers van Maurits evenzeer, maar verder lijkt er niets veranderd. Op een bordje voor fietsers zie ik dat Hulst nog zes kilometer verderop gelegen is. Het bord wijst een andere richting op dan mijn gevoel zegt dat ik moet gaan.

Ik vind het begin van de Liniedijk en volg op goed geluk het pad. De toren van Hulst  zie ik nog steeds niet.

Na ruim een uur wandelen over de oude, vergeten dijk uit de Tachtigjarige oorlog, kom ik twee dames tegen die hun honden uitlaten. Ze vertellen me dat ik de goede weg volg; Hulst is nog een klein eindje verder, anderhalve kilometer. Dat is niks, denk ik, anderhalve kilometer. Ik heb de toren van Hulst nog steeds niet gezien.

Het laatste stuk, die anderhalve kilometer, lijkt langer dan de meer dan twintig kilometer die ik er achter de rug heb. Mijn benen en schouders zijn moe, op. Nog even.

Wanneer ik het einde van de Liniedijk nader, zie ik rechts, door de bomen, plots de Basiliek, met de toren. Ik neem een foto, en even later, wanneer ik de dijk achter me laat, sta ik voor een van de poorten van Hulst.

Wat een wonderlijke ervaring, deze eerste wandeling. Alleen, door een bijna verlaten land, gejaagd door regen en wind, vier uur stappen door de stilte, in ruimte en tijd. De Voettocht is begonnen.